vrijdag 23 november 2012

Kinderlijk geloof

1. Daar trok weleer een Godsgezant,
door dorp en stad van Engeland,
verkondigde daar Jezus' leer,
bracht menig een ter schaapstal weer.

2. Eens sprak hij voor een kinderschaar
van Jezus, die op 't hoogaltaar
in 't gouden tabernakel woont
en zich aan elk zo minzaam toont.

3. Strak luist'rend zat de lieve jeugd,
op elk gelaat blonk hemelvreugd.
In menig oog een held're traan,
zo innig waren ze aangedaan.

4. De leering eindt - men gaat naar huis.
Een knaapje blijft bij 't missiekruis,
en gaat, als niemand zich meer toont,
de kerk weer in, waar Jezus woont.


5. Omzicht treedt hij in en ziet
of ergens iemand hem bespiedt.
"Ja" fluistert hij, "nu maar gegaan,
ik klop zachtjes daar bij Jezus aan!"

6. Maar hoe hij de armpjes rekken moog',
het gouden deurtje was te hoog...
Wat nu? Voor 't kindje is 't geen bezwaar,
het klautert boven op 't altaar.

7. 't Is stil... tik, tik... 't klopt aan en hoort...
Daarbinnen klinkt geen enkel woord.
"Maar Jezus, 'k leerde nog zojuist
dat Gij in het tabernakel huist."

8. En 't klopt al harder, harder aan,
misschien had Jezus 't niet verstaan.
"Spreek, Lieve Heer, och spreek nu toch!
Gij zijt hier - waarom zwijgt Gij nog?"

9. "Och Jezus, spreek een enkel woord,
ik ga van hier niet onverhoord!
Mijn Jezus, 'k min U toch zo zeer,
ach, luister toch eens Lieve Heer!"

10. O wonder! Hij, die 't schuld'loos kind
zo vaderlijk, zo god'lijk mint.
Niet langer, neen, schijnt Jezus doof
voor 't kloppen van dat sterk geloof.

11. "Ja" spreekt Hij, "hier is Jezus' woon.
Ik rust hier op een gouden troon
en hoor naar elk vol medelij.
Spreek, kindeken, wat wilde Gij?"

12. "Och Jezus, vader is zo kwaad
zodat hij vloekt en ons zo slaat.
Sterft vader zo, dan moet Gij wel
hem eeuwig straffen in de hel!"

13. "Mijn Jezus lief, Gij zijt zo zoet,
maak vader ook weer braaf en goed,
opdat hij eens voor eeuwig blij
bij U en mij en moeder zij."

14. En Jezus treft die kinderbee.
"Ga, knaapje" zegt Hij, "ga in vree,
ik zorg dat vader zich bekeer.
Ga getroost naar moeder weer."

15. En 't kind gelooft dat zoete woord.
't Klimt af en spoedt zich huiswaarts voort
en huppelt straks aan moeders zij
o als een engeltje zo blij.

16. Maar 's avonds kwam bij 't schemerlicht
de vader van het lieve wicht
half schuchter naar het kerkgebouw,
het hart vermorzeld door berouw.

17. Daar knielt hij voor Gods priester neer.
Gods priester geeft hem de onschuld weer.
Dan snelt hij naar zijn gade en kind
waar hij nu ware vreugde vindt.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen